WOORD & BEELD

Einde

11jan
0Comments

Ik kan geen vreemde wc meer zien. Geen plakkerig zeil, geen scheuren in plafonds. Geen

stoffige dweilen, volle wasmachines en stapels strijkwerk. Geen volle aanrechten,

beduimelde koffiekopjes, waterglazen met een vettig randje. Kachels die loeien, ook al

vallen de mussen van het dak. Plastic bloemen, kleedjes op de tafels. Hoogpolig tapijt,

kromgetrokken laminaat. Vervallen trappenhuizen, afgebladderde voordeuren,

waarachter vaak veel eenzaamheid.

Ik rijd terug uit Amsterdam Noord en moet wachten voor de brug. Ongelukkig voel ik

me, terwijl ik uitkijk over het IJ.

Waar ben ik toch in vredesnaam mee bezig? En waarom? Ja, vooral waarom?

Op donderdag ga ik als invalhulp altijd naar verschillende adressen. Slopend, vind ik het,

om iedere keer het wiel te moeten uitvinden. Daar staat de stofzuiger, niet dweilen met

groene zeep, eerst stoffen! Maar achter iedere deur zit een mens. Een mens met een

verleden en een heden, maar met niet zoveel toekomst meer. En zo veel vriendelijkheid

in alle eenzaamheid.

De vrouwen die me vragen of ik niet iedere week kan komen.

De lieve Marokkaanse waar ik zo gastvrij ontvangen word, en van wie ik tijdens de

Ramadan heerlijk eten mee naar huis krijg.

De man die me vertelde hoezeer hij na zo lang zijn overleden vrouw nog mist.

Ik ben nog nooit zo vaak ‘schat’ of ‘mop’ genoemd als in het afgelopen half jaar. Het heeft

niet uitgemaakt dat ik niet goed ben in schoonmaken, dat ik thuis geen strijkbout heb.

Men heeft de wenkbrauwen weleens gefronst, maar altijd kreeg ik koffie en een verhaal.

De vrouw van mijn leeftijd, op de bank, rokend en in badjas: “Schat, haal jij effe vier

witte wijn voor me? Mijn zuster komt vanavond eten.”

De grote man, die gewassen wordt in de badkamer, waar ik steeds langs moet: “Nou,

mop, je hebt vast wel vaker een naakte man gezien, denk ik.”

Geef me ander werk, heb ik vaak gedacht. Laat me wandelen, praten, koken desnoods.

Boven op de brug besluit ik dat ik ermee ophoud, met dat schoonmaken in Noord. Ik doe

het niet meer.

Prompt speelt mijn geweten op. En Annie (83) en meneer Van E. (88) dan? Mijn vaste

adressen waar ik inmiddels beter de schoonmaakspullen kan vinden dan in mijn eigen

huis? Die kan ik toch niet zomaar achterlaten? Daar kom ik nu al een half jaar.

De brug gaat dicht, ik zet de muziek hard en rij opgelucht naar huis. Daar bel ik de

wijkcoördinator: “Ik wil bij Annie en meneer Van E. blijven, verder wil ik nergens meer

ingezet worden. Doodongelukkig word ik ervan.”

De coördinator gaat onmiddellijk akkoord. Waarom heb ik dit niet eerder bedacht?

Annie
Werkoverleg